Onderdelen

Het dyscalculie- programma heeft zes hoofdonderdelen:

  • het aanleren van de basistechnieken van de Davis®-methode: oriëntatie, energiemeter en ontspanning. Lees meer over deze basistechnieken,
  • het aanleren van een aantal concepten die nodig zijn om te kunnen begrijpen wat rekenen is,
  • het beeldend leren wat de kern van optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen is,
  • het gebruik van cijfers en reken-symbolen en het oplossen van verwarring hierdoor,
  • het oplossen van verwarring door rekenwoorden waar geen beeld bij ontstaat,
  • eventueel het aanleren van wiskundige bewerkingen.

Tijdsbesteding

Het programma duurt ca. 40 tot 50 uur, verdeeld over sessies van 3 tot 6 uur per dag. Bij voorkeur wordt het eerste deel van het programma in ongeveer een maand gegeven. Dat betekent dus dat je meerdere sessies per week krijgt. Bij het tweede deel van het programma kan een iets langere tussenperiode juist goed werken om de verschillende bewerkingen niet te veel door elkaar te halen. 

Als je naast dyscalculie ook dyslexie of AD(H)D of autisme hebt, maken we een combinatie van de verschillende programma’s.

Inhoud

Het aanleren van enkele concepten die nodig zijn om te kunnen begrijpen wat rekenen is:

We gaan aan de slag met de vraag: wat is een som eigenlijk? Het is een raadsel waarbij je aanwijzingen krijgt, zodat je het raadsel op kunt lossen. Om het raadsel op te kunnen lossen, heb je een aantal concepten nodig. Deze concepten zijn: verandering, oorzaak-gevolg, tijd, volgorde en orde-wanorde. Allemaal concepten waar het linkerbrein graag mee werkt, maar tot nog toe niet voldoende geleerd heeft hoe dat moet. 

De betekenis van deze concepten wordt in beeld gezet door gebruik te maken van kleimodellen. Op deze manier begrijpt het rechterbrein wat er bedoeld wordt met het concept. Elk concept heeft ook een talige betekenis. Dat is waar het linkerbrein mee kan werken. Door het eigen maken van de concepten kunnen beide breinen met elkaar “praten” over die concepten. Op hun eigen manier begrijpen ze wat er met een concept bedoeld wordt. Daardoor kunnen ze beter samenwerken. 

Ook kijken we samen of er concepten bij zijn waar verwarring door ontstaat. We onderzoeken samen waar die verwarring door veroorzaakt wordt, en zoeken we samen naar oplossingen.  

Het beeldend leren wat de kern van optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen is:

Het kan best zijn dat je de sommen van school goed uit kunt rekenen. Dat je “het trucje” kent. Maar dat je eigenlijk geen benul hebt, waarom je dat trucje doet. 

Door een optelsom in beeld uit te werken, zie je het voor je ogen gebeuren. Je gaat ècht begrijpen wat er gebeurt als je iets optelt bij iets anders. Hetzelfde geldt voor de andere basis-rekenkundige bewerkingen: aftrekken, vermenigvuldigen en delen. Als je ziet wat er gebeurt, ga je het ook snappen. Daardoor begrijp je ook beter wat je aan het doen bent, en is ineens “het trucje” geen trucje meer. Je bent echt aan het rekenen.

Ook krijg je met behulp van het 100-veld meer zicht op wat je allemaal met deze 4 basis-bewerkingen kunt. 

Het gebruik van cijfers en reken-symbolen en het oplossen van verwarring hierdoor:

Tijdens een groot deel van het dyscalculie- programma gebruiken we helemaal geen cijfers en getallen. Het gaat om het begrip wat er achter zit. Toch moet op enig moment de vertaling naar cijfers, getallen en rekensymbolen gemaakt worden. Dat is namelijk de “rekentaal” waarmee we met elkaar kunnen praten. 

Tijdens dit onderdeel maken we de vertaling naar cijfers en symbolen. Als hier verwarring op is, werken we die weg. Je leert ook hoe heel grote getallen of juist heel kleine getallen geschreven worden en hoe je daarmee kunt rekenen.

Het oplossen van verwarring door rekenwoorden waar geen beeld bij ontstaat:

Elk woord heeft 3 eigenschappen: De betekenis, hoe het woord er uit ziet (hoe je het schrijft) en hoe het klinkt. Pas als je alle drie de onderdelen begrijpt, kun je het woord goed toepassen. Beelddenkers zetten de betekenis van het woord om in beeld. Maar soms is er geen plaatje bij een woord. Deze woorden worden dan niet gelezen of niet gehoord.  

Voor veel woorden is het beeld wel duidelijk. Welk beeld komt in je op als je het woord “paard” ziet, of “boot”, “gitaar” of “huis”? Bij bijna iedereen popt er wel een beeld op in je hoofd. En welk beeld krijg je bij woorden als: “keer”, “erbij”, of “eraf”? Waarschijnlijk geen beeld. En je weet niet meer wat je te doen staat bij een som. 

In de “rekentaal” is er een aantal van deze woorden. Ze zijn noodzakelijk om deze taal te kunnen begrijpen. De oplossing is om er voor te zorgen dat je wèl beeld bij deze woorden krijgt. En dus de betekenis begrijpt. Tijdens het Davis- programma leer je stapsgewijs hoe je een beeld bij deze beeldloze woorden kunt maken. Als je het beeld eenmaal hebt, maak je het geheel weer eigen (je voegt betekenis, schrijfwijze en uitspraak samen). 

Eventueel het aanleren van wiskundige bewerkingen:

Voor jongeren die op de middelbare school of voortgezet onderwijs moeite met wiskunde hebben, kan het programma uitgebreid worden met de module over wiskunde. We kijken waar je moeite mee hebt en dat wordt je op de Davis-manier uitgelegd. Hierdoor kun je, als je dat wilt, inzicht krijgen in de meest ingewikkelde wiskundige bewerkingen. Want, uiteindelijk is elke wiskundige bewerking terug te voeren op een optelsom. 

Terug naar boven…